Ze rende en rende. Het geluid van de golven die met veel kabaal op de klippen sloegen dreunde in haar oren. Haar adem ging in horten en stoten en haar longen branden. Maar de angst deed haar alleen maar harder rennen.

De angst, die aan haar ingewanden knaagde, die haar van binnen uit leek te verteren.

Haar haar wapperde achter haar aan. Af en toe waaide het in haar gezicht zodat het haar zicht benam en ze een paar treden naar beneden struikelde.

Steeds bleven de treden uit de mist op doemen en de trap leek eeuwig te duren.

Ze was totaal haar oriƫntatie kwijt. Het enige dat haar van haar omgeving bewust maakte waren de golven op de klippen en de wind die in haar gezicht blies.

Ze durfde niet om te kijken, bang voor wat er achter haar was.

Opeens stopte de trap, hij stopte gewoon. Beneden haar, honderden meters lager, kolkte de woeste zee. De mist was opgetrokken maar donkere zwarte wolken hulden het landschap in duistere schaduwen. Ergens, kilometers verder op zee, wist de zon door de wolken te breken. Waar hij de oceaan bereikte glinsterden witte schuim koppen.

Dreigend rezen aan haar linker en rechter kant de klippen op. Huizen hoge golven beukten er met geweld tegen aan. Behalve dat ene glinsterende licht plekje op zee was alles zwaar, donker en grauw.

In paniek keek ze om zich heen. Haar adem ging alleen maar sneller nu ze stil stond. Ze kon geen kant op en achter haar was alleen de angst, die steeds dichter bij kwam en bezit van haar begon te nemen.

Ze sprong.

Al haar hoop gericht op dat ene plekje in zee. Ze sprong van de trap en de kolkende witte schuim koppen kwamen razendsnel dichter bij. Toen haar tenen het water raakte schoof er een donkere wolk voor de zon, die nu nergens meer zichtbaar was. Dit maakte het landschap dreigender en donkerder dan ooit.

Maar zij had een glimlach om haar lippen. Voor haar, was alle angst verdwenen.